Rob Ruggenberg – Haaieneiland (1e recensie)

1722. Roemer is matroos op een van drie schepen die op ontdekkingsreis zijn in de Stille Zuidzee. Al maanden varen ze daar rond en het leven aan boord wordt steeds zwaarder. Het regent en stormt, het eten is bedorven, de matrozen worden afgebeuld en velen hebben scheurbuik. Als een van de schepen op een klif loopt en vergaat, grijpt Roemer zijn kans en loopt weg. Met vier anderen blijft hij achter op een klein koraaleiland. Het eiland lijkt een klein paradijs: het is groen, er is eten in overvloed en er worden parels gevonden. Roemer sluit vriendschap met een meisje van het eiland en ontdekt dat het er levensgevaarlijk is - en niet alleen omdat de zee er vol zit met haaien...

Boekinformatie
Schrijver: Rob Ruggenberg
Titel: Haaieneiland
Uitgeverij: Querido
Jaartal: 2015
Bladzijden: 272
ISBN: 9789045122908
Genre: geschiedenis
Leeftijd: 12+
knop meer info over boek

Het verhaal in het kort

Het was nooit stil op het kleine koraaleiland, want ook ’s nachts beukten de golven op de rode riffen en blies de oceaanwind ruiselliedjes door de hoge kokospalmen.
Daardoor hoorde niemand hen aankomen. De dubbele kano naderde langzaam, bijna als een schaduw boven het water zwevend, rijzend en dalend op de golven.
De krijgers van Ana’a, met verentooien op hun hoofden en beschermd door schilden van parelmoer en schildpad, stuurden hun oorlogskano behendig door de smalle opening in het rif.
Even later slopen de mannen het strand op. Hun lange speren, voorzien van rijen scherpe haaientanden, glinsterden in het maanlicht. Om hun polsen hingen kransen van gevlochten mensenhaar.
Het dorp lag tweehonderd stappen van het strand. Iedereen sliep.
De bewoners van Takapoto merkten pas wat hen overkwam toen het te laat was. Ze gilden en schreeuwden, een oude man wist ongezien te ontsnappen dor naakt het water van het binnenmeer in te vluchten; een jongere man die probeerde hem te volgen kreeg een speer in zijn rug. Iets verderop, in het donker tussen de late hutten, werden vier andere vissers die terugvochten, gedood.
Toen het een paar uur later licht werd en de krijgers van Ana’a hun buit eens goed bekeken, waren ze teleurgesteld. Ze hadden maar weinig mannen en jongens aangetroffen – niet meer dan twintig – en de man die ze zochten, de oude tautai, de navigator was er niet bij. In zijn hut vonden ze allen een ingewikkeld maaksel van stokjes, schelpen en steentjes, waaruit een ervaren tautai de zeeroutes kon lezen naar de andere koraaleilanden in de Stille Zuidzee.
Opnieuw zochten ze het eiland af, maar de oude man leek spoorloos verdwenen. Even dacht een van de krijgers dat hij iemand in het binnenmeer zag zwemmen, maar volgens de anderen was het een bruine kokosnoot die daar dreef. (blz. 9)

Het verhaal speelt zich af in 1722 in de Stille Zuidzee. Roemer is samen met zijn oudere broer aan boord van het schip De Thienhoven. Ze zijn al maanden onderweg, maar het leven aan boord wordt zwaarder. Veel bemanningsleden, onder andere de broer van Roemer, hebben scheurbuik en zijn doodziek.

Zelfs aan dek werd Roemer ziek van de zure stank die opsteeg uit de roosters en de luiken. De hete oostenwind maakte de geur nog doordringender: het stinkende briesje streek over zijn gezicht en drong binnen in zijn neusgaten en in zijn keel, waardoor de jongen steeds het gevoel had dat hij moest overgeven.
De stank kwam van het bedorven kielwater en van de schimmelende erwten en bonen in de houten tonnen, maar nog het meest van de ongewassen lichamen van de zieke en stervende matrozen – en van hun braaksel en poep die niemand meer opruimde.
De Thienhoven was veranderd in een varende hel. Als Roemer kokhalzend naar beneden ging om de verstijfde armen en benen van zijn broer met vet in te wrijven, hield hij zijn adem in tot hij bijna stikte. In het halfdonkere matrozenverblijf hing de stank van rottend tandvlees zwaar als damp tussen de schommelende hangmatten. Roemer deed zijn ogen half dicht, om maar niet te hoeven kijken naar die tientallen halfdode mannen met hun bleke gezichten, naar hun honden, die zwarte gaten waar alle tanden uit waren gevallen, naar hun gezwollen benen.
Hij kon er niets aan doen. Als hij bij zijn broer kwam, die hem vanuit zijn hangmat met holle ogen aankeek, werd hij misselijk. (blz. 15)

Op een dag loopt een van de andere twee schepen uit het konvooi op een rif. Iedereen moet helpen om mensen en levensmiddelen te redden. Tijdens deze reddingsoperatie slaat het bootje met daarin de broer van Roemer om. En hij kan niet zwemmen… Opeens heeft Roemer niemand meer. Met alles wat gered is gaan de bemanningsleden van de schepen naar een eilandje vlakbij het rif. Het lijkt een onbewoond eiland.

Nu’i lag achter lage miki-mikistruiken en gluurde naar het rare doen en laten van de popa’a, de witte vreemdelingen. Ze was op haar hoede, want het waren mannen – en die brengen dood en ellende. Dat wist ze maar al te goed sinds die overval van de mannen van Ana’a, twee jaar geleden. Die krijgers hadden alle grote jongens en alle volwassen mannen op Takapoto gedood en de meesten ook nog opgegeten.
Zonder mannen en grote jongens was het leven saai op het kleine eiland, vond Nu’i. Eten was er volop – daar hadden ze geen mannen voor nodig. Er stonden nog genoeg kokospalmen, al moesten de vrouwen daarvoor nu wel een eindje lopen, omdat die ellendelingen van Ana’a de bomen in het dorp hadden omgehakt.
En als je wat anders wilde eten dan kokos, was er altijd vis. In een ondiep stukje van het rif hadden de vrouwen met platte koraalstenen een doolhof gebouwd, waarin iedere dag tientallen vissen verdwaalden. Je hoefde ze alleen maar een scherpe stok te prikkelen en daarna in het vuur te leggen. (blz. 79)

Het eiland is niet onbewoond. Er woont een hele groep vrouwen op het eiland. Hun mannen zijn twee jaar geleden door een vijandige stam vermoord. Sinds die tijd moeten ze voor zichzelf zorgen. Het liefst zouden ze zich verstoppen voor de vreemdelingen, maar dat kan niet lang. Een paar dagen later lijken de vreemdelingen gelukkig weer te vertrekken. Maar een klein groepje blijft achter. Ze zijn gedeserteerd van het schip omdat ze denken dat hun kansen op overleven groter zijn op het eiland dan op een schil vol zieken. Onder hen is Roemer. Er ontstaat contact tussen de bewoners van het eiland en deze mannen. Roemer wil graag met ze communiceren, maar ze spreken een andere taal. Zal het hem lukken om contact te maken? Hoe ziet het leven van Roemer er uit op dit eiland?

Mening over het boek

Recensie van Ikvindlezenleuk (Mathilde) (ouder dan 18 jaar)
1. Wat vind je van het boek?
★★★★☆
2. Waarom heb je dit boek uitgekozen om te lezen?
Het boek heeft een mooie voorkant, Ik vond de tekst op de achterkant leuk, Ik heb al andere boeken van deze schrijver gelezen, dit boek was genomineerd voor de Prijs van de Jonge Jury 2017
3. Welke steekwoorden passen bij het boek?
avontuurlijk, fascinerend, geheimzinnig, spannend, verrassend, zielig
4. Staan er tekeningen in het boek? Wie heeft ze gemaakt?
Nee
5. Wat vind je van de tekeningen? Passen ze bij het verhaal?
Nee
6. Is het boek moeilijk of gemakkelijk te lezen?
Gemakkelijk
7. Waar gaat het verhaal over?
Zie hierboven
8. Wie is de hoofdpersoon?
Roemer
9. Is er iemand uit het boek die je in het echt zou willen ontmoeten? Wat zou je dan samen gaan doen?
Ik wil het eiland wel in het echt zien
10. In welke tijd speelt het verhaal zich af?
In het verleden (vroeger)
11. Waar speelt het verhaal zich af?
op een eiland in de Stille Zuidzee, in 1722
12. Waarom moeten andere kinderen dit boek lezen?
Het is een spannend en zielig verhaal over vriendschap en omgaan met andere culturen
13. Wil je nog iets anders vertellen over het boek?
Dit boek was een van de drie nominaties voor de Prijs van de Jonge Jury 2017
14. Wil je het boek nog een keer lezen?
Ik wil andere boeken van deze schrijver lezen

Geef een antwoord