Interview met Sanne Rooseboom

geplaatst in: interview, nieuws | 0

20180312 foto met Sanne RooseboomIn maart kwam Sanne Rooseboom bij mij op bezoek voor een gezellig interview. Je kent Sanne waarschijnlijk van haar boeken Jippie! en Het Ministerie van Oplossingen. Een tijdje geleden was de boekpresentatie van Het Ministerie van Oplossingen en de verdwenen Van Gogh in boekhandel Donner.

 

Je hebt net je vierde boek uit, Het Ministerie van Oplossingen. Hoe voelt dat? 

Ik vind het heel spannend. De periode dat je boek uit is maar je nog van niemand weet wat ze er van vinden, is vreselijk. Zo kwetsbaar! Gelukkig zijn er nu een paar kinderen die mij vertelden dat ze het leuk vonden. Het is nog steeds spannend, maar ietsje minder. Ik wil graag weten wat kinderen die het eerste deel hebben gelezen van dit verhaal vinden. Het is een spannende tijd. Ik vraag me af of dit gevoel minder wordt als je meer boeken hebt geschreven.

 

Lees je recensies over je boeken?

Ik lees alles, maar er zijn niet heel veel recensies, omdat ik nog een beginnend schrijver ben. Ik krijg wel mailtjes van kinderen die een boekverslag maken over mijn boek. Dat vind ik erg leuk. Ik vind het leuk om te zien welke personages kinderen interessant vinden. Maar soms krijg ik ook vragen die de kinderen zelf hadden kunnen opzoeken, zoals: wie is de illustrator?

 

Ben je bezig met een volgend boek?

Ik moet er nog even inkomen na de boekpresentatie en al het reclame maken voor deel 2, maar ik ben bezig met deel 3 van het Ministerie van Oplossingen. Ik vind het leuk dat het verhaal nog alle kanten op kan gaan. Ik weet ook dat alles wat ik nu schrijf ik waarschijnlijk weer ga herschrijven voordat het verhaal helemaal klaar is.

 

Heb je het verhaal al in je hoofd als je begint met schrijven?

Nee, ik weet het begin en het einde, maar het midden nog niet. Het lijkt me best handig om een plot, het verhaal, een keer helemaal uit te werken en dan te gaan schrijven. Maar op zich is dat niet hoe ik werk. Ik sprint weg met een verhaal, en denk na over de structuur terwijl ik bezig ben. Voor deel 2 heb ik wel een deel van het verhaal uitgewerkt, maar dat was toen ik al halverwege het boek was. Toen wilde ik duidelijkheid voor mezelf hoe het verhaal zou gaan.

Ik begin elk boek met veel enthousiasme. Ik heb dan een leuk idee en daar wil ik over schrijven. Het schrijven van mijn eerste boek heeft daarom ook jaren geduurd, want op een gegeven moment was dat enthousiasme weg en moest ik mezelf weer motiveren. Ik was bang dat mijn idee niet goed genoeg was omdat ik niet meer vol enthousiasme aan het schrijven was. Ik weet nu dat dat niet erg is. Als ik nu vastloop ga ik dingen uitwerken en visualiseren. Ik schrijf van alles op kaartjes. In het begin van het schrijven ga ik dingen uitzoeken voor het verhaal en informatie lezen. Ik ben nu bezig met mijn vijfde boek. Mijn eerste twee boeken waren al klaar toen ik een uitgever vond. Het duurde toen nog een jaar voordat de boeken in de winkel lagen. Daardoor lijkt het alsof ik heel snel boeken schrijf, maar ik heb zeker anderhalf jaar nodig voor een goed verhaal. Nu ligt er niets meer op de plank. In oktober moet ik mijn manuscript afhebben en ik denk dat dat wel gaat lukken.

 

Hoe lang doe je over het schrijven van een boek?

Over mijn eerste boek, Het Ministerie van Oplossingen, heb ik 8 jaar gedaan. Over mijn tweede boek, Jippie!, deed ik 2 jaar. Ik denk nu dat ik ongeveer een jaar doe over een boek. Daarbij komt nog een aantal maanden voor het schrijven voor informatie uitzoeken en het uitwerken van het idee, en een aantal maanden na het schrijven voor aanpassingen maken aan de tekst. Ik herschrijf al tijdens het schrijven. Als ik merk dat ik daar teveel tijd aan besteed mag ik dat van mezelf een aantal weken niet doen. Dan mag ik alleen maar schrijven. Hiervoor was ik tien jaar journalist en ik vind het niet erg om met een rood potlood mijn eigen teksten te lezen. Ik zet veel in de kantlijn en als ik het later terug lees lijkt het net alsof ik de tekst van een redacteur lees. Het schaven aan de tekst vind ik een leuke fase. Ik merk dat het verhaal hierdoor beter wordt. De moeilijkste fase vind ik als het verhaal niet loopt en ik niet weet waar het aan ligt. Spanning toevoegen vind ik ook lastig. Ik weet dat een verhaal spanning nodig heeft om het interessant te maken.

 

Wat doe je als je aan het schrijven bent?

Sinds ik in dit huis woon heb ik een eigen schrijfkamer. Daar staat een bureau en mijn computer. Ik hang briefjes aan de muur met ideetjes. Tijdens het schrijven luister ik niet naar muziek. Ik begin altijd met een stuk van het verhaal lezen om weer in het verhaal te komen. Anders kan ik niet schrijven. Als schoolschrijver heb ik geleerd dat kinderen dat ook hebben. Als je ze de opdracht geeft ‘schrijf iets over de vakantie’, dan vinden de meeste kinderen dat erg moeilijk. Maar als je eerst over de vakantie praat, over waar ze geweest zijn, wat ze gedaan hebben, met wie ze daar waren, dan is het schrijven hierover veel gemakkelijk.

Ik begin met het drinken van koffie en het doorlezen van tekst. Ook lees ik mijn social media. Ik heb weinig tijd om ongestoord te schrijven. Naast het schrijven van mijn boek, schrijf ik ook teksten voor ander werk, ga ik op scholenbezoek, heb ik een peuter rondlopen. Als de oppas er is, zijn zij beneden en zit ik boven. Ze weet dan ook dat mama niet gestoord mag worden. Ze is ook niet anders gewend: als de oppas er is, is mama er niet. De oudste vindt dat lastiger en wil aandacht als ze een dag vrij heeft van school. Die komt dan naar mijn werkkamer om dingen te vragen.

Soms ga ik in een café zitten of in de bibliotheek om te schrijven. Dan heb ik even een andere omgeving nodig. Ik vind het fijn om ruis, geluiden op de achtergrond, te horen en dan een uurtje of twee te schrijven. Teksten aanpassen doe ik thuis, want daar heb ik mijn aandacht voor nodig. Lessen voorbereiden voor de Schoolschrijver doe ik in de bibliotheek. Dat is handig, want daar heb ik allemaal boeken bij de hand.

 

Wie van je personages wil je in het echt ontmoeten?

Ik wil de personages uit Het Ministerie van Oplossingen wel ontmoeten, dat zou erg leuk zijn. Ik zou vooral naar ze kijken om te zien of ze lijken op wat ik in mijn hoofd heb zitten. Ik stel me wel eens voor wat mijn personages zouden doen als ze de tram missen of zoiets. Ik vraag me af of ik mijn personages wel zou herkennen als ik ze zou ontmoeten.

Het lijkt me ook leuk om de personages uit de Jippie!-boeken te ontmoeten, maar dat zijn meer sprookjesfiguren. Het lijkt me heel grappig om koning Grom te ontmoeten, want die vindt alles stom. Soms denk ik wel eens aan hem. ‘s Morgens bijvoorbeeld als ik het labeltje van mijn theezakje lees waar een vraag op staat, zoals ‘wat is je ochtendritueel?’. Dat vind ik een stommige vraag en dan vind ik het leuk om bijvoorbeeld het antwoord van koning Grom te bedenken.

Voor schoolbezoeken heb ik een quiz waarbij kinderen kunnen zien of ze bij Hak horen, bij Jippie of bij Grom. Dat leidt tot leuke gesprekken met kinderen. Ik vraag ook ‘Als ik een reisbureau had en je kon naar een van deze landen op vakantie waar zou je heen willen?’. Veel kinderen willen wel op sloopvakantie in Hak…

 

Hoe kom je aan inspiratie voor je boeken?

Inspiratie is overal, maar je moet het wel vangen. Ik begin met iets wat ik een leuk idee vindt en dan ga ik op zoek naar informatie. En dan begin ik met schrijven. Ik hou van oude huizen en ik vind mensen helpen leuk. In Het Ministerie van Oplossingen komt dit ook terug. Ik haal ook inspiratie uit dingen die gebeuren en mensen die ik ontmoet. Voor Leesfeest heb ik een column geschreven waarin ik vertel hoe ik een belangrijke opdracht verloor. Ik was boos en verdrietig. Mijn collega zie toen ‘als een deur dichtgaat, gaat een andere voor je open.’ Daar was ik het niet mee eens. In de auto begon ik me af te vragen hoe het zou zijn als je in een land zou wonen waar iedereen zo optimistisch is, of in een land waar iedereen chagerijnig is. Dat werd het boek Jippie!

Kinderen kennen trouwens soms het woord ‘ministerie’ niet, maar daar bedenken ze dan zelf een betekenis voor. Ze denken vaak dat een ministerie een mini-mysterie is, een klein geheim. Dat vind ik mooi bedacht.

 

Hou je van lezen?

Ja, ik ben opgegroeid met lezen. Ik las de hele bibliotheek leeg. Ik las vooral serieuze boeken, verhalen over oorlog en armoede. Ik zou wel eens terug willen in de tijd om mijn 11-jarige ik te vertellen dat ik ook wel eens een avonturenverhaal ofzo mag lezen. Op de middelbare school begon ik minder te lezen. Dat kwam door de leeslijst. Ik moest opeens alleen maar Nederlandse literatuur lezen. Ik kreeg na een paar boeken het gevoel dat het vooral om timide jongens ging, hun seksualiteit, hun band met hun ouders en de oorlog. Veel weilanden en christendom. Dat vond ik best mooi allemaal, maar ik miste de verhalen en avonturen die ik in kinderboeken zo gewaardeerd had. Niemand vertelde mij dat Marquez en Tolstoi goede verhalenvertellers zijn, want dat waren vertaalde boeken. Ik kwam dus van al die verhalen over oorlog en armoede in de literatuur terecht. Pas na mijn eindexamen kwam ik er achter dat er ook andere boeken waren die golden als Nederlandse literatuur. Ik vind het jammer dat bij mij op school geen liefde voor literatuur is aangeleerd, waarbij ook mooie vertalingen van klassiekers mochten worden gelezen. Bij Engels bijvoorbeeld vond ik wel leuke boeken om te lezen. Ik las alles van John Irving, Oscar Wilde, George Orwell. Meestervertellers. Misschien dat Young Adultboeken wel een brug slaan voor de jongeren van nu tussen jeugdboeken en literatuur.

Ik legde mezelf ook dingen op, bijvoorbeeld dat ik alleen over internationale politiek mocht lezen toen ik studeerde. Ik moest weer leren dat lezen geen nut hoeft te hebben, maar gewoon leuk mag zijn. Of dat ik een boek moet uitlezen, of maar 1 boek tegelijkertijd mag lezen. Dat doe ik nu minder.

Als Schoolschrijver vraag ik kinderen ook wat hun lievelingsboek is en dan zie ik dat daar veel verschillen in zitten. Door die gesprekken beginnen kinderen elkaar ook boeken aan te raden. Ook kinderen die niet veel lezen, vertellen over een boek dat ze hebben uitgelezen, en vertellen voor wie dat volgens hen ook een leuk boek zou zijn. Dat vind ik leuk!

 

Lees je boeken van andere schrijvers?

Ja, tuurlijk. Als ik schrijvers ontmoet wil ik graag weten wat voor boeken ze schrijven. Dan ga ik later naar de bieb om een boek van hen te lezen. Ik vind het ook leuk om te weten wat kinderen lezen en wat ze leuk vinden aan boeken.

Ik vind het geweldig als bekende kinderboekenschrijvers zeggen dat ze mijn boek hebben gelezen. Dat vind ik zo gaaf, dat ze de tijd hebben genomen om mijn boek te lezen. En dan ook nog mij een berichtje sturen. Over tien jaar wil ik ook zo’n berichtje sturen naar een beginnende schrijver. Het geeft je als schrijver zo’n goed gevoel om te horen dat iemand je boek leuk vond.

 

Is er nog iets wat jij wilt zeggen en wat ik niet heb gevraagd?

Ik heb een tip voor schrijvende kinderen: laat je werk door andere kinderen en volwassenen lezen. Het is heel spannend om dat te doen, maar het is ook fijn om te horen wat iemand van jou verhaal vindt. Het kan je helpen bij het verder schrijven. En nog een tip: lees veel boeken! Daardoor leer je wat je zelf leuk vindt om te lezen en hoe een goed verhaal in elkaar zit.

 

 

Boeken

Bekijk alle boeken van Sanne Rooseboom die op de website genoemd worden

 

 

De foto heb ik zelf gemaakt 

 

 

Geef een reactie